Ik kan in hem herkennen den ironischen toets der Dwarskijker, dien hem is aangewaaid met de winden Bomans’. Ik kan in hem herkennen mijn eigen spotternij, dien ik achtte geheel aan mijn eigen originele geest ontsproten. Toch word ik, méér nog dan door de herkenning, omver geblazen door dàt kenmerk zijner proza waarmee ik meende komaf te hebben gemaakt, namelijk de barokke beschrijving. Eén komma te veel, en uw schrijfsel belandt in mijn kachel. Twee kleuren in de eerste zin en uw alinea zal verder geen woord meer bevatten als brocaat of koren, eer ik uw tekst in de prullenmand heb gegooid. Drie namen van bomen en bij de eerstvolgende bloem, schrijf ik u weder dat aan uw stijl nog behoorlijk kan geschaafd, en geef ik u den wenk te schrappen en nog te schrappen in wat overblijft.
Niet zoo bij Couperus. Méér zeg ik en geeft hij mij meer, dan nog is het mij niet genoeg. Fluweel en scharlaken, marmer en azuur, goud en smaragd, eeuwig zal ik mij laven aan de hoorn des Couperus’ overvloeds. Dwalen in de bossen zal ik, tot ik elke twijg bij den naam kan noemen. Zwijgen bij het haardvuur, tot elke vlam op mijn netvlies brandt. Schransen aan de feestdis, tot geen vrucht des velds haar geheim voor mij nog versluiert. En luisteren naar een vrouw tot ik kan navertellen, zelfs die woorden die zij niet heeft gesproken.
Zoo vertel ik u, niet van mezelf of over de anderen, maar van Couperus, wiens boek mij zal vergezellen tot het einde van mijn dagen.